|
|
Belijden van de zonden van je land?
by: Pieter Bos
date: 1/12/2010
De vraag
Een niet onbelangrijk deel van het werk van Serving the Nations is het belijden van zonden die ons land in het verleden heeft bedreven, zoals slavernij en kolonialisme.
Nu kwam de vraag op ons af of dat wel zin heeft, want in Ezechiël 18 staat uitdrukkelijk dat “alleen wie zondigt zal sterven” (v 4) en “Ik zal iedereen beoordelen naar de weg die hij [zelf] gegaan is” (v 30). Met andere woorden: je zult niet sterven, je wordt niet veroordeeld, voor de zonden van anderen. Is er dan wel een bijbelse grond voor, om namens je land schuld te belijden voor historische zonden, waar je zelf natuurlijk niet bij was?
Dat is een heldere vraag. Ik hoop dat het antwoord ook helder is.
Ezechiël 18
Dit hoofdstuk bestaat uit twee gedeelten.
Het eerste gedeelte is v 1-29. De hoorders schamperen: “Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden”. God maakt zich kwaad over deze houding. Nadrukkelijk zegt hij: “Helemaal niet. Als een man rechtvaardig is, laat ik hem toch in leven? Maar als zijn zoon gewelddadig is, heeft hij toch zelf de dood over zich afgeroepen? En als diens zoon zijn vader in dat gedrag niet volgt, zo iemand zal zeker leven”.
Dat is duidelijk en logisch; ook in feite keihard. Deze boodschap is gericht tot personen die klagen dat ze zouden moeten boeten voor de zonden van hun voorouders, omdat ze, en daar gaat het om, geen verantwoordelijkheid erkennen voor hun eigen gedrag, zich van geen kwaad bewust (willen) zijn en schuld van zich afschuiven, naar hun ouders. Dat is het eerste deel van dat hoofdstuk.
In het tweede deel, v 30-32, komt een ander thema aan bod: niet de (keiharde) rechtspraak ná het wangedrag, maar een (bewogen) advies om wangedrag te voorkómen. De conclusie is: “De dood van een mens geeft me geen vreugde… kom tot inkeer en leef” (v 32)! God heeft geen vreugde in (keiharde) rechtspraak; hij wil dat het zover niet komt. Hij waarschuwt: Neem verantwoordelijkheid voor je gedrag en breek met het zondige leven.
De beide gedeelten gaan dus over verantwoordelijkheid voor je gedrag, eerst over het niet verantwoordelijk willen zijn, daarna over het bewust verantwoordelijk voor je gedrag op je nemen.
Ezechiël 22:30
De daarop volgende hoofdstukken gaan door op het eerste gedeelte van Ezechiël 18. Israel en Jeruzalem zijn zo schuldig door hun wangedrag, dat er maar één conclusie mogelijk is: ze zijn des doods schuldig. Vooral Ezechiël 22:1-29 is een dramatische aanklacht: Jeruzalem is een bloedstad, met gruweldaden, afgoden, machtsmisbruik, ontucht, woekerwinsten, roofzucht, moorden. Ernstige straffen worden in het vooruitzicht gesteld.
Maar dan komt heel plotseling, net als in Ezechiël 18, een “tweede deel” (v 30): “Ik zocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die voor het land in de bres wilde springen opdat het niet zou worden vernietigd…”. In de NBG en NIV staat er: “…zodat ik het niet zou (hoeven) verwoesten”. Dit gaat parallel aan het tweede gedeelte van Ezechiël 18: “De ondergang van een stad geeft me geen vreugde. Was er maar bekering. Was er maar iemand die voor de stad op zou komen, die verantwoordelijkheid voor de stad zou willen nemen, die haar zou willen verdedigen met schuldbelijdenis en smeekbede om vergeving”.
Ook in hoofdstuk 22 zien we na een keiharde opsomming van de feiten, een bewogen zoeken van God om niet te hoeven straffen.
Waar heeft Ezechiël dit vandaan?
Ezechiël is Leviet en leraar van de wet. Hij volgt met deze tweedeling dan ook nauwkeurig zijn “leerboek” Leviticus (wordt geďnspireerd om dat te doen). Leviticus 26 heeft een eerste deel: de zegeningen en vloeken die bij een verbond horen; de “kleine lettertjes” van het verbond, v 3-39. Dat is weer heldere taal en ook weer... keihard. Dan volgt het tweede deel, v 40-45: God wil niet vervloeken, maar biedt de mogelijkheid aan van vergeving vragen: “Wanneer zij echter hun zonden en die van hun voorouders openlijk uitspreken,… wanneer zij dus hun koppigheid laten varen en zich verootmoedigen en voor hun schuld boeten, dan zal ik weer denken aan mijn verbond…” (uit v 40, 41 en 42).
De grote lijn van dit stukje bijbels onderwijs is dan ook de volgende. Als een zondaar, een persoon of natie of stad, geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, de schuld afschuift of ontkent, dan moeten die persoon, dat land, die stad de gevolgen zelf dragen, zoals afgesproken in “de kleine lettertjes” van het verbond. Maar… als de zondaar wel verantwoordelijkheid neemt, en schuld belijdt, dan vergeeft God maar al te graag, óók volgens “de kleine lettertjes”. En in geval van de straf voor een natie of stad: een inwoner mag namens zijn voorvaders verantwoordelijkheid nemen. Het is zelfs zo dat God zoekt naar iemand die initiatief neemt omdat te doen (Ezechiël 22:30; zie ook Jeremia 5:1).
Zo vond God Daniël (Daniël 9) en Ezra (Ezra 9) en Nehemia (Nehemia 1). Deze mannen namen geen afstand van hun volk, door te zeggen: dat stomme volk van mij heeft gezondigd en daar zitten wij nu mee…, maar ze namen verantwóórdelijkheid voor hun volk: “Ik, mijn vaderen en mijn volk hebben gezondigd…”.
De link naar het Nieuwe Testament
Ezechiël 22 heeft ook nog een “derde deel”: v 30-31: “…Maar zo iemand heb ik niet gevonden. Dus vervloekte ik hen…”. God kon (toen) niemand vinden die op de bres wilde en kon staan. Toen moest hij Jeruzalem wel straffen. God heeft dat dan ook (keihard) gedaan.
In feite is pas Jezus het antwoord op Gods zoeken: die beleed niet alleen schuld, maar nam volledig verantwoordelijkheid: hij betaalde de schuld. De voorbeden en schuldbelijdenissen van Mozes, Ezechiël, Jeremia, Daniël, Ezra en Nehemia konden niet voldoende zijn; het vergeven van schuld deed God al wel, maar kreeg pas een basis door het werk van Jezus aan het kruis.
Deze twee verzen, Ezechiël 22:30 en 31, zijn heel beroemd geworden. Over de hele wereld zijn er (stads-)gebedgroepen met de naam “Op de bres”; ze belijden de schuld “van onze voorouders” en op grond van Jezus’ werk kunnen en willen ze daarvoor vergeving vragen.
Dat is ook de basis voor dit deel van ons werk: verzoening voor te bereiden voor ons land en voor andere landen, met elkaar en met God.
(Het is voorbereiden, met het doel dat het op een bepaald moment door de regering zal worden over genomen en voltooid, maar dat is een ander onderwerp).
Zie de diverse “verzoeningsacties” en “schuldbelijdenissen” op www.verzoeningscoalitie.nl.
^ top]
|